Aanstaande zaterdag, 2 november, is het weer zover.
Zo langzamerhand is in ons dorp Huizinge een mooie traditie gegroeid: op die dag lopen we met lichtjes naar de begraafplaats om op elk graf een kaarsje te branden.
Wie dit mee wil maken wordt van harte uitgenodigd om op 2 November om 17.15 uur bij de kerk te verzamelen.
Na afloop is er voor ieder koffie met pleverkouk en erwtensoep in ‘t Ol Schoultje.
Het verhaal van de cultuur van dood en begraven in deze contreien begint bij de hunebedden, de grafheuvels en de wierdenvondsten. De in het vroege christendom ontstane gewoonte, in en rond de kerk te begraven, hield stand tot in de vorige eeuw en heeft ons veel fraaie en curieuze zaken gelaten, als sarcofagen, epitafen, grafmonumenten, zerken en rouwborden.
De begraafplaatsen, die vanaf het begin van de vorige eeuw werden aangelegd, waren na verloop van tijd ook bedoeld als wandelparken en zijn dan ook in veel gevallen fraai aangelegd. Het zijn onmisbare elementen in het landschap, ook vanwege de plantengroei en de dieren die er hun woonplaats hebben.
Nergens in Nederland vindt men zoveel rijk gedecoreerde grafstenen met symboliek en met vrome, schalkse maar altijd ontroerende teksten, als in onze provincie. Voor de kennis van de historie van streek en provincie zijn de graftekens onmisbaar, voor genealogen zijn het vaak ijkpunten, terwijl de vormen, gebruikte materialen en decoratie van belang zijn voor de in cultuurhistorie geïnteresseerden.
Kennis nemen van de cultuur van dood en begraven blijkt steeds weer een aangename en nuttige bezigheid. Reint Wobbes, woonachtig in Huizinge, lid van de Kerkhoven commissie van de Stichting Oude Groninger Kerken, heeft zich onder meer verdiept in de cultuur van dood en begraven, om voorlichtend belangstelling te wekken voor kerkhoven en begraafplaatsen in Groningen, opdat ze behouden blijven.
Hij houdt een lezing op woensdag 23 oktober, vanaf 20.00 uur in het Hippolytushoes in Middelstum, Toegang € 5,-.
Wanneer: Donderdag 31 oktober, 19.30 uur Waar : Johannes de Doperkerk in Huizinge Spreker: drs. Marco Silvani
Lezing over Dante’s meesterwerk “De Goddelijke Komedie”
In de veertiende eeuw schreef de Italiaanse dichter Dante (1265 -1321) de “Commedia” (later “Divina Commedia” – Goddelijke Komedie – genoemd); een denkbeeldige reis door de hel, het vagevuur en de hemel die tot de dag van vandaag één van het meest bestudeerde literaire werk is. Hemel, aarde, het goddelijke en het menselijke komen bij elkaar om samen één grote levensgebeurtenis te vormen.
De lezing bestaat uit twee keer drie kwartier waarin de reis door de drie delen van het hiernamaals chronologisch wordt verteld. Er wordt een zestigtal dia’s getoond. Deze dia’s laten het werk van beeldende kunstenaars zien die zich al vanaf de veertiende eeuw door Dante’s reis hebben laten inspireren. De lezing is bedoeld als eerste kennismaking met Dante’s meesterwerk en heeft de vorm van een hoorcollege met mogelijkheid om tussendoor vragen te stellen.
De laatste jaren verschijnen er steeds nieuwe vertalingen van De Goddelijke Komedie. Er worden nieuwe films, toneelstukken, en documentaires over gemaakt. Reisbureaus organiseren reizen naar de plekken die Dante in zijn werk beschrijft. Er ontstaan steeds meer leesgroepen die Dante lezen. Kortom, de spirituele reis van Dante van de diepste dalen van zijn ziel tot God toe is nu actueler dan ooit. Voor eenieder die geïnteresseerd is in deze toonaangevende bijdrage aan de wereldliteratuur.
Deze avond staat een inhoudelijke uitwisseling en verdieping over het ritueel van delen van brood en wijn centraal.
Janita van Bruggen zal deze avond leiden. Naar aanleiding van haar eigen onderzoek start de avond met een korte inleiding over haar bevindingen in de literatuur. Vervolgens zal het grootste deel van de avond besteed worden aan het onderling delen van persoonlijke betekenissen en belevingen van en bij dit ritueel. Janita heeft door haar praktijkonderzoek zelf ervaren hoe waardevol en verrijkend het is om te horen hoe ieder zijn/haar eigen woorden daarvoor kiest.
Voor deelname op 14 november kan u zich opgeven bij Grietje Schanssema-Ritsema, geschanssema@hetnet.nl of 06-28821966, graag voor 10 november.
Zoals gewoonlijk wordt een bijdrage van € 4,00 gevraagd.
Voor de goede orde: deze avond is niet bedoeld voor het delen van de onderzoeksresultaten van het praktijkonderzoek. Dat gebeurt op de gemeente-avond d.d. vrijdag 22 november a.s..
De excursie waarvan het onderstaande een verslag is werd georganiseerd door de commissie Bezinning en Cultuur. Dit mede in verband met wat ons te wachten staat bij het versterken en/of vervangen van (gedeelten van) de boerderij die eigendom is van onze kerkelijke gemeente.
Op boerderij ‘De Har’
Zondagmiddag 22 september ontmoet ik meer dan 40 mensen in de grote schuur van boerderij ‘De Har’ aan de Huizingerweg (tussen Huizinge en Westeremden) – voor het grootste deel mensen die ik ’s morgens ook al in de kerk gezien heb. Alleen deze tweede keer gaat het om een praktische toepassing – niet zozeer van de preek van die morgen (hoewel ook die zo zijn consequenties voor ons leven had) – nee, we worden geconfronteerd met het wel en wee van het agrarische leven, vooral wanneer je daar bewust en zorgvuldig mee om wilt gaan. We zijn namelijk te gast bij Annelien Kapper, in de splinternieuwe en overrompelend grote schuur van deze kop-hals-romp boerderij. Sinds een aantal jaren runt zij de boerderij die voorheen gedreven werd door ‘onze’ Jan Willem en Gerrie Kapper. Haar man Kristiaan werkt weliswaar mee op de boerderij, maar heeft ook een baan buiten het boerenbedrijf om.
Bij binnenkomst is er koffie en thee, met lekkere cake. Heel toepasselijk is er een auditorium gevormd van twee halve cirkels strobalen, waarop de meesten een plaats vinden (enkele stoelen en een bankje zijn er voor degenen die hun rug een beetje moeten ontzien). Betty van der Molen heet ons welkom, bedankt de cake-bakkers en geeft vervolgens het woord aan Annelien.
In vogelvlucht vertelt zij iets over het Groninger land daar in de buurt. De streek achter de boerderij heet de Har (wat in het Gronings iets met ‘hoogte’ te maken heeft). Er moeten vroeger meer mensen geleefd hebben. Het gebied waar we ons bevinden werd al voor onze jaartelling bewoond. Er zijn bossen geweest, maar al heel vroeg ontdekte men de vruchtbaarheid van de aangeslibde gronden. Het dorp Westeremden is al heel oud – in de Middeleeuwen lag het aan zee (kun je nagaan wat een enorme hoeveelheden land erbij gekomen zijn). De toenemende welvaart kun je goed aflezen aan de mooie Middeleeuwse kerken die je hier en daar aantreft (denk maar aan onze ‘eigen’ kerk in Huizinge, maar ook aan de Andreaskerk in Westeremden, waar we dit jaar maandenlang te gast zijn geweest). Westeremden had zelfs stadsrechten, maar die is ze later aan Appingedam kwijtgeraakt, toen dat dorp van steeds groter belang werd. Kloosters zijn in deze buurten zeer actief geweest in het ontginnen van land en in het aanleggen van de dijken.
Rond achttienhonderd beginnen de graanprijzen te stijgen, en zie je steeds mooiere woonhuizen (en tuinen) rond de boerderijen verschijnen – tot Heerden en Borchen toe. Vanaf 1832 begint men dit gebied in kaart te brengen, en weten we wat er op het land verbouwd werd en wie er op de verschillende boerderijen woonden. In de negentiende eeuw komt overal de industrialisatie op, die geleid heeft tot een toenemende mechanisatie in de landbouw. Daarvan zijn we getuigen gezien de grote hoeveelheid tractoren en machines ook in de schuur waar wij ons nu bevinden. Vanwege een tekort aan koemest (en misschien ook wel vanwege het gemak?) bleek (of leek?) de op het toneel verschijnende kunstmest een uitkomst. Want ook met de komst van de molens was nog steeds meer grond voor landbouw bruikbaar geworden.
In 1990 werden Jan Willem en Gerrie de nieuwe bewoners en eigenaars van ‘De Har’, waarvan het voorhuis rond 1930 in Amstedamse-school-stijl gebouwd is. Nu is dus de schuur geheel vernieuwd, en van een prachtig rieten dak voorzien. Ook al is het van binnen een indrukwekkende staalconstructie, opvallend is wel de schoonheid van deze schuur vergeleken bij wat er over het algemeen tegenwoordig in het Groninger landschap aan schuren verschijnt. In 2015 is Jan Willem gestopt met ploegen, om op die manier de grond meer rust te geven en een veel rijkere fauna te ontwikkelen, wat op den duur ook de verbouwing van gewassen ten goede komt, door de grotere rijkdom aan organismen in de bodem. Meteen ook worden we geconfronteerd met het feit dat er zoveel diertjes zijn, die we weliswaar wensen te respecteren, maar die wel een bedreiging blijken voor de gewassen, die ze vrolijk en wel verorberen. Hoe die op een natuurlijke wijze te ‘bestrijden’? Daar is het laatste woord nog niet over gesproken – en dat zal ook wel nooit gebeuren.
Het met rust laten van de bodem brengt natuurlijk wel veel meer wieden met zich mee, en daar is dan eigenlijk meer menskracht voor nodig. En daarmee stuit je op nog weer een ander probleem: de hoeveelheid handen die het werk moeten zien te klaren. Voordat Jan Willem hier aan de slag ging hadden zijn voorgangers nog een voltijdse medewerker (‘knecht’ noemden ze zo iemand vroeger) – en die tendens zet zich dus voort, want, zoals ik al vertelde, Kristiaan heeft ook een baan buitenshuis. De tijd dat het halve dorp bij de oogst betrokken kon worden – zoals je op oude afbeeldingen wel ziet – is (voorgoed?) voorbij, dus moet je terugvallen op steeds betere machines, tot robotten toe (die in de nabije toekomst wellicht een deel van het wieden kunnen overnemen). Nieuwe machines om te zaaien en te oogsten zijn in de afgelopen jaren wel al aangeschaft.
De steeds natter wordende weersomstandigheden vragen om aanpassingen met het oog op de vochthuishouding van de bodem. Via de eigen windmolen wordt er wel al jaren eigen stroom opgewekt. Al geruime tijd hebben ze op ‘De Har’ ook een aantal hele mooie (vlees)koeien. Prachtige zwarte beesten, die trouwens hoornloos geboren worden en daardoor minder agressie tonen. Van tijd tot tijd wordt er één geslacht, wat dan weer voor enige inkomsten zorgt. De koeien zorgen op hun manier ook voor meer natuurlijke bemesting. Annelien probeert van allerlei nieuwe dingen uit; het probleem is daarbij altijd weer dat je pas na afloop weet of iets werkelijk voordeel oplevert. Er worden nog enkele verhelderende vragen gesteld, en op de vraag wat voor deze 21e-eeuwse boerin nu de gelukkigste momenten op het bedrijf zijn, zegt ze zonder enige aarzeling: de oogst.
Daarna komt Maria aan de beurt. Zij is een telg van de ons bekende familie Nienhuis, en is medeverantwoordelijk geweest voor de ontwikkeling en de bouw van de schuur waarin we ons bevinden. Zij vertelt ons met verve over de sloop en de nieuwbouw van de ‘romp’ van de boerderij. Over de enorme hoeveelheid complicaties die zo’n avontuur met zich meebrengt, van archeologisch onderzoek (zodra je maar even buiten de reeds bebouwde grenzen komt) tot voorschriften in verband met een beschermd dorpsgezicht. Ja, we hebben met elkaar een maatschappij van regels in elkaar gezet waar je op allerlei momenten niet blij van wordt! Wat een ‘lagen’ aan bureaucratie moet je passeren voordat je bent bij het uiteindelijke resultaat: plan, ontwerp, ligging, aansluiting op het voorhuis, bouwbesluiten, materiaalgebruik, en noem maar op. Met dan uiteindelijk die bijzondere keus voor het rieten dak. Ook voor het afgeven van vergunningen wil men in deze tijd van alles gezien hebben, van situatieschetsen tot plattegronden, doorsneden en aangezichten.
Van alles passeert de revue, maar Maria weet ons er behendig doorheen te loodsen. Ik vertelde al hoe opvallend mooi deze schuur aan de buitenkant is. Daar is hij van baksteen opgetrokken, en dat mag uniek heten. Wat ziet dat er anders uit! Maar … hoe wil je hem gemetseld hebben, in wat voor patroon, en met wat voor soort stenen, enzovoort? Ook over de aansluiting van de romp aan de ‘kop’, via de ‘hals’, is veel en op een ingenieuze wijze nagedacht. Na een aantal vragen (bijvoorbeeld: Waarom is de binnenkant van de schuur in staal en niet in hout uitgevoerd? – Dat laatste is bij een dergelijke overbrugging nog weer veel ingewikkelder, en aanmerkelijk duurder), is het woord ten slotte aan Gera van der Hoek, die de beide sprekers bedankt voor hun heldere betogen, en hen een verrassing van Groninger producten overreikt. Daarmee is een eind gekomen aan een leerzame middag, waarin ik in ieder geval opnieuw onder de indruk raak van het ingewikkelde van het moderne (boeren)leven. Ikzelf zal deze ontmoeting – en Annelien, Kristiaan en hun drie kinderen – niet gauw vergeten; en aan hen herinnerd worden iedere keer dat ik ‘De Har’ passeer.
Voor de cantorij is de vakantie al weer een tijdje voorbij. Afgelopen zondag, 8 september, zongen we in de morgendienst; je zou het een ‘gewone’ dienst kunnen noemen. Voor de komende maand vermeldt de agenda twee bijzondere diensten: Op 13 oktober zingen we in een Cantatedienst in de kerk van Farmsum. Op 9 juni waren we daar met de cantate over Jakob, deze keer gaat het om de Oogstcantate. Daarin wordt op teksten van Barbara en muziek van ondergetekende het verhaal van Ruth belicht. Medewerking wordt verleend door Hermien Hoekstra (dwarsfluit). Vocale solisten uit het koor zijn Gera van der Hoek (sopraan, Ruth), Barbara de Beaufort (mezzosopraan, Noömi), Roely van Leeuwen (alt, Orpa) en Jan Smid (bas, Boaz). Voorganger in de dienst is Piet Lanting, organist/pianist is Kees Steketee. De aanvang is 19:00 uur.
Veertien dagen daarna, op 27 oktober, zingen we in een cantatedienst in ons eigen Huizinge. In het kader van Hervormingsdag (31 oktober) voeren we dan de Huizinger Hervormingscantate. Het is de eerste cantate die Barbara en ik schreven. Op 2 november 2014 werd hij, tezamen met het Van Vulpen koororgel, ten doop gehouden. Nu, tien jaar later, dus nog eens weer, nadat we hem tussendoor (in het Lutherjaar 2017 in Appingedam en Farmsum en in 2021 in Huizinge) ook nog een aantal keren hebben gezongen. Jan Smid (bas) is de twijfelende Luther, Gera van der Hoek (sopraan) zingt de Engel der genade. Just van Es is de voorganger. Het is een morgendienst, op de gewone tijd, 9:30 uur.
De teksten rondom de Taizé-liederen komen dit jaar van dichter Rutger Kopland en priester en theoloog Herman Verbeek. Anderhalf jaar geleden kreeg ik van Fré Schreiber het Liedboek van Aarde en het Liedboek van de ziel. Een rijk bezit van liederen van Verbeek, een tijdgenoot van Huub Oosterhuis, maar weinig gezongen in eigen parochie, een dominee wordt in eigen dorp niet geëerd. De Taizé-dienst is natuurlijk een uitgelezen mogelijkheid deze teksten te gebruiken, zonder zang want daar zijn de Taizézangen voor bedoeld. Een doorloop van de liturgie:
De Paaskaars wordt aangestoken door de ouderling van dienst, ik denk dat dit Grietje is, maar dat kan ook iemand anders zijn, waarna de lector van de dienst, Fré Schreiber het gedicht ‘Om het licht’ voor zal dragen. Daarna een lied: ‘Kom tot ons o heil’ge geest, ontsteek in ons het vuur van uw liefde’ en dan past een moment van ingetogenheid. ‘Word stil mijn ziel’, wordt gelezen; het kan ook gezongen worden, maar vandaag even niet. Voor de liefhebbers, het is de melodie van Finlandia van Jean Sibelius. ‘Word stil mijn ziel, ga op de tuin der stilte’, niet zomaar een tuin, maar de aarde, de grond waarop wij bestaan en uit leven, dat vergeten we nogal eens. Over dat vergeten, het lied is ook op de dementerende vergeet-mij-niet-tekst te zingen: ‘Wanneer een mist herkenning laat vervagen’.
Het gedicht ‘adem’ komt uit de bundel Liedboek van Aarde, met daartussen, ingetogen uitademend zingend het lied ‘Adem in ons, Heilige Geest’. De eerste keer drie keer, met het voorspelende pianospel van Lies, daarna twee maal. Het gedicht ‘Aan het grensland I’ van Rutger Kopland, van het internet geplukt uit het tijdschrift Het liegend konijn, jaargang 3, spreekt tot verbeelding. Grensland tussen nu en straks? Het grensland, van leven naar sterven? Een wazige spiegel geeft zicht op je eigen associaties, luister tijdens het lezen maar eens naar de interpretatie die het Cello8ctet Amsterdam ervan maakt.
Dan een lastige overstap. Zoekend naar een passend vervolg vond ik eigenlijk weinig aansprekends, geen logisch vervolg. Koplands ‘Iets als een gezocht, maar van wat of waar’ associeert naar ‘Innerlijk licht’, die zoektocht daarna geeft in ieder geval aanknopingspunten om verder te gaan met het door Kopland aangehaalde I Korintiërs 13, waar in de meestgelezen NBV de ‘boekhoudster van het kwaad’ de aftocht heeft geblazen, daarom kiezen we voor de Naardense vertaling die vaak puntiger en oorspronkelijker is. Ook ons aigen Biebel schrieft nait over ons boukholster, mor is aal schierder schreven as vertoalen dij PKN-domies op zundag van preekstoul lezen.
Het ‘Ubi Caritas et amor’, vierstemmig. De Nederlandse vertaling zingt volgens NederlandZingt: ‘Daar waar liefde heerst en vrede, daar waar liefde heerst, daar is God met ons’, het doet me de wenkbrauwen fronsen. Kan liefde heersen? Liefde is een milde verzoenende kracht en ‘heersen’ is een sterke emotie met een negatieve betekenis. Liefde heerst niet, maar sijpelt daar waar het stromen mag van zichzelf. Daarom zou ik de tekst graag vertalen naar ‘Daar waar liefde leeft in vrede, daar waar liefde leeft, daar woont God in ons’. De plaats van God is in de mens in plaats van erbuiten, geloof ik. Dat ‘God met ons’ doet me denken aan het huidige twee eurostuk en de oude gulden en rijksdaalder met die lelijke tekst op de rand ‘God zij met ons’, wat impliceert dat God dus niet met een ander is, alleen als je tot ‘ons’ behoort… Een godspe! God en geld is en blijft een lastige combinatie, van God alleen kun je niet leven en het is prima, uitstekend zelfs dat je met geld de goddelijke eeuwenoude kerken op ons Groninger land in stand, staande kunt houden. God in ons, creëert die tegenstelling niet.
Grensland II van Rutger Kopland slaan we even over, is me iets te diep. Koudwatervrees? Voor de liefhebber, wat knip- en plakwerk:
Je kijkt in je hoofd en daar ligt het land waar je vandaan komt en nooit meer naar terugkeert je ziet de psalm uit je jeugd met de weiden de waatren het vee – ja dit is het grensland daarachter moet zijn wat er was voor je er zelf was het onzichtbaarste het vroeger dan vroegste je verlangt naar een wat naar een waar iets misschiens iets dat je nooit hebt begrepen je leest bij Pessoa: het is vreemder dan alles wat vreemd is dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn en dat er niets valt te begrijpen
Grensland III, dicht en schrijft verder. Wat me opvalt is grensland zonder naam, dus ook zonder het bezitterige ‘mijn’ waarop de ander moet wegwezen. Voor niemand bedoeld, dus voor iedereen en daarna afsluitend naar toeval en breekbaar, het breekt je af wat leven is, leren sterven? En dan dat geheim van de wereld, dat is het zichtbare, dat wat er is en dat wat wij er samen van maken.
Gevolgd door een Taizé-lied met het ‘Wil mij leiden op de weg die eeuwig is’. Eeuwig, de planeet, de aarde, het zichtbare volgens Kopland. Moeder Aarde, het grensland, land met grens, op de grens van leefbaar, onleefbaar, de tijd waarin we leven vullen met geweld, stikstof, mestoverschot stijgende zeespiegel en ontwrichtend klimaat. Een ontwricht klimaat in mensen ook, polarisatie, woorden tegen woorden. Ego’s brullen hun vermeende gelijk. Verbeek heeft het over de tuin van Aarde. Een tuin waar duizend rozen te bloeien staan, de stad, de mens. En de tuinman, jij, ik?
Daarna een moment van stilte, om het eerdere te overdenken of om gedachten te laten gaan waar het gaan mag. Stilte, datgene wat er is en niet gevuld hoeft te worden met lawaai van de menselijke uiting. Daarna mag Fré ‘De aarde ging woestijnen’ voordragen. De eerste coupletten lijken wel het verhaal van vandaag te vertellen, crisis die als een Jona verzuipt. Plots klimt Noach aan boord. In het cursiefje ernaast een verwijzing naar het boekje van Stefan Zweig, De legende van de derde duif. Een tweede moment van Stilte, gevolgd door het Taizélied ‘Señor, que florezca tu justicia’, met daarin de tekst ‘gerechtigheid hier bloeien’ die een brug vormt over de stilterivier tussen het voorgaande ‘woestijnen worden tuinen’ (bloeien) en ‘Wereldtafel is de aarde’, een lied over gerechtigheid, waar ook het woord ‘gerecht’ ingebakken zit. Het lied zingt zich uit op de melodie van ‘loof de koning heel mijn wezen’, uit het liedboek, Gezang 103c. Al spreekt de gelezen ‘Wereldtafel is genoeg doen van de grond die aarde dekt’, meer. Het lied, gelezen als gedicht eindigt met ‘woord van licht verzamel het’, dat ons naar het ritueel van kaarsen aansteken brengt. Een avondmaal van licht, verzameld en gedeeld. ‘Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur, vuur dat nooit meer dooft’. In dat ontloken licht, volgt ‘Christu, lux mundi’, u bent het levenslicht, licht der wereld’. Godlof een loflied. Daarna de gebeden, onderbroken door het gezongen ‘O Lord, hear my prayer’. Met een gedicht waarin we de aarde om vergeving vragen, uit de Verbeekbundel Liedboek van Aarde.
Als de gebeden opgaan in de stilte volgt -nee niet het onze vader in de hemel- maar het ‘Onze Moeder’ op de aarde. Moeder Aarde als voortbrengster van alle leven. Met dat leven borduren we voort en rommelen we wat aan, een leven lang. Tenslotte een slotlied uit de bundel Zangen van Zoeken en Zien. ‘Ga met ons mee op onze wegen’.
Bent u als lezer van de nieuwsbrief nieuwgierig geworden? Welkom in de Taizédienst in Huizinge op zondag 6 oktober aanstaande.
Naast de kerkdiensten van de Johannes de Dopergemeente is er in de lente- en zomermaanden elke woensdagochtend van 9.30-10.00 uur een meditatieve bijeenkomst waarin de stilte centraal staat. Afgewisseld met het zingen van een inleidend lied tot die stilte. Breng mijn ziel tot rust, hier in deze ruimte. Stilte. De bundel wordt opengeslagen, een korte tekst vult de ruimte, even. Stilte, waarin gedachten gaan of juist zich vertragen. In de verte specht een vogel zich een gaatje in een boom om voedsel te zoeken of een vrouwtje.
Een gong klinkt. Aan de paaskaars worden lichtjes ontstoken al dan niet met woorden bekleed. Stilte, we zingen Dat wij onze weg mogen gaan in vrede en gaan in stilte het buitenkerkelijke leven in.
Zolang de temperatuur ons enige behaaglijkheid geeft, vinden de meditatieve bijeenkomsten hun doorgang in ‘onze’ kerk.
In een enquête onder de gemeenteleden van Huizinge vroeg Janita van Bruggen ons te zeggen welke vorm van brood en wijn delen onze voorkeur heeft. In de 19e eeuw vroeg men zich in de Hervormde Kerk af of men het avondmaal zittend of staand wilde vieren. Men koos voor zittend, omdat men dacht dat Jezus en de discipelen dat destijds ook hadden gedaan, kennelijk niet wetend dat die dat zogenaamd ‘aanliggend’ deden.
Uit het kerkboek van Huizinge:
Den 24 July werd een nieuwe groene vloer gelijd in ’t Chor van den Kerk en een nieuwe tafel benevens zitplaatsen of banken gemaakt tot gebruik van des H. (Heren) H. (Heilig) Avondmaal daar te voren de Bediening van ’t H. Avondmaal altoos staande gevierd werd, verkoos men nu deselve volgens Synodaal Besluit als meer gedenkwaardig de instelling van den Heer, zittend te Vieren waarvan de eerste Viering is geschied op Zondag 7 october 1838 den J.B. Snoek pastor loci.
Hiernaast: de koorinrichting van 1838 met de ijzeren ondersteuning van het gewelf, nu hangend aan de muur in het portaal. De tafel en de banken zijn verwijderd bij de restauratie in 1962. In Middelstum is bij de restauratie van de kerk ook het verwijderen van eenzelfde inrichting overwogen, maar is die gebleven.
In Utrecht bestaat nog steeds een kleine kloostergemeenschap van de zusters Augustinessen: Casella. (Voor wie meer wil weten: https://www.casella.nl/). Ook al zijn ze nog maar met drie zusters, toch houden ze hun vieringen gaande en heten ze vooral jonge mensen welkom. Ze geven voor degenen die hen een warm hart toedragen en/of geïnteresseerd zijn in de augustijnse
spiritualiteit ook een blad uit: ‘Stad Gods’. Het verschijnt vijf keer per jaar, in een oplage van 6000 stuks. Het jaarthema in 2024 is het ‘Zonnelied van Franciscus’, en zodoende werd ik gevraagd als gastschrijver om iets over Broeder Wind te schrijven.
Wees geprezen, mijn Heer, door broeder wind en door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde.
Franciscus van Assisi, ‘Zonnelied’
Hieronder het artikeltje dat in ‘Stad Gods’ terecht kwam.
Broeder Wind
Starend uit het raam van de trein die vanuit Groningen de Ommelanden in rijdt zag ik vooral lucht, heel veel lucht. Het streepje aarde daaronder stelde niet veel voor: grasland, akkers, hier en daar een verre torenspits die niet veel hoger leek dan het gras, wegvallend tegen die onmetelijke hemel.
Wij hebben hier op het Hogeland eigenlijk niets spectaculairs, dacht ik, niet zoals andere streken dat hebben. Geen bergen of heuvels, geen duinen of strand, geen meren of watervallen. Maar wij hebben de lucht. Zo ontstond de tekst voor het ‘Hogelandster liedje’. Te lang om hier te citeren, maar het eindigt zo:
De ochtend- en de avondlucht de maan die voor de morgen vlucht de wolken in hun wit gewaad de zon die op- en ondergaat het donker met zijn sterrenpracht het stil verbleken van de nacht het ijle blauw zo peilloos hoog de hele halve regenboog.
De handen leeg, dicht aan de grond, ik sta en kijk de hemel rond, de wenkende oneindigheid… Er is geen grens… er is geen tijd…
Wij houden van wat je niet hebben kan, wij leven van de lucht.
‘Van de lucht kun je niet leven’, zegt een spreekwoord. Maar wij mensen doen niet anders. Zonder lucht is ons bestaan binnen een paar minuten voorbij. Meer dan water en brood hebben we lucht nodig, adem, wind. Dat is raar. Dat wat we het meest nodig hebben, is onzichtbaar, je kunt het niet aanraken. Geen wonder dat de wind symbool is geworden voor de Heilige Geest. Hoe ongrijpbaar en vluchtig is ook de Geest, van wie je maar moet hopen en geloven dat hij/zij bestaat en aanwezig is, zonder ooit een hard bewijs te krijgen. Kunnen we dat aan? Dat we het moeten hebben van iets, iemand, waarop we geen vat hebben?
Franciscus noemt de wind ‘broeder’. Ik moet bekennen dat ik hem dat niet altijd nazeg, als het hier weer eens hard waait en ik er tegenin moet fietsen. Voor iemand die je niet kunt zien heeft Broeder Wind een krachtig vermogen om je dwars te zitten. Maar ook om je in die strijd met de elementen weer tot jezelf te brengen, zoals velen van ons die graag ‘uitwaaien’ aan het strand weten. Het lijkt dan of je al te menselijke muizenissen door de wind worden meegevoerd. Je voelt je lichaam weer: je nietigheid tegenover die kracht, en toch laat je je niet omver blazen. Wind is niets meer dan zich verplaatsende lucht. Soms zo hard dat het stormt. En soms legt Broeder Wind zichzelf even ter ruste, en is het windstil. Zelfs hier in het noorden van Groningen. Dat zijn speciale dagen. Je hoeft je nergens meer tegen te verzetten. De altijd ritselende blaadjes van de populier zwijgen. Ik zit buiten en luister naar de stilte.
Is dit nu wat de Prediker ‘lucht en leegte’ noemt? IJdelheid en het najagen van wind? Het is waar dat de ongrijpbaarheid van lucht een gevoel kan geven van leegte. Wat hebben we uiteindelijk als houvast – niets, een vuistvol wind. Ik zit in het gras, en voel iets anders. Leegte die tot ruimte wordt. Zoveel wordt ons voorgehouden, uitgelegd, opgedrongen, zoveel wordt van ons gevraagd en geëist. Zoveel vragen en opinies klinken in ons hoofd. Het wegvallen daarvan kan beangstigend zijn. We zijn er zo aan gewend, aan al die stemmen. Wat blijft er over als die zwijgen? En toch kan de leegte, als je hem niet probeert te verdrijven, veranderen in ruimte. Tenminste, dat gebeurt mij soms. De leegte kan een vriendelijk gezicht krijgen, een ontvankelijkheid voor wat zich niet laat zeggen. Toe maar, er is ruimte genoeg. Kijk om je heen, omhoog, hoeveel lucht, van horizon tot horizon. Vertrouw je er aan toe. Dan, even maar, steekt Broeder Wind op, en fluistert bemoedigend in de populierenbladeren.