Onze Johannes de Dopercantorij is begonnen in 2012. We zingen nog met ongeveer dezelfde mensen, en dus is de gemiddelde leeftijd daarmee ook een jaar of veertien gestegen. Ooit verbaasde me ik over de mooie helderheid van onze sopranen. Die mag er trouwens nog steeds zijn! Ik complimenteerde ze daarmee: “U klinkt zo mooi, fris, zo helder, zo jong,” en had het daarbij misschien moeten laten, maar zei: “u klinkt veel jonger dan u er uit ziet…” Gelukkig heeft dat geen leden gekost, en de zangeressen snapten ook wel dat ik alleen maar probeerde leuk te zijn.
Via de cantorij kom je vanzelf in de kerk terecht, waar iedereen in diezelfde tijd ook 14 jaar ouder is geworden. Het is goed toeven in onze kleine kerkgemeente, maar we zijn met zijn allen niet bepaald de jongsten meer. En kinderen, die we zo graag een kindernevendienst aanbieden, zijn er al helemaal niet, al neemt soms een enthousiast kerkganger de kleinkinderen mee. Het is in onze kerk, en in veel collega-kerken, een grijze bedoening.
Dat brengt me bij een andere sector waar de bezoekers ook over het algemeen niet meer de jongsten zijn, hoewel er de laatste tijd toch een soort kentering lijkt waar te nemen. Klassieke concerten. Dat is toch ook een fenomeen waar voornamelijk de wat oudere medemens naar toe gaat.
Velen maken zich zorgen over deze grijze ontwikkeling. En er worden ook allerlei pogingen gedaan om het tij te keren. Dingen worden opgeleukt en aangepast om toch vooral maar jeugd te trekken. Toen er in een kerk in de buurt weer eens zo’n wervend project werd uitgedacht deed dat een wat ouder (hoewel, wat is dat nou helemaal, ouder) gemeentelid verzuchten dat men meer bezig was met de mensen die er niet zijn dan met hen die er wel zijn. Ik vond het een treffende analyse.
We hebben in maart gestemd voor de gemeenteraden. Ikzelf koos vrij traditioneel (met een voorkeurstem op een oud-leerling van me!) maar had ook de keus uit een paar lokale partijen voor het algemeen, of het gemeentebelang, wat dat ook allemaal zijn mag. Die plaatselijke clubs zijn het grootst geworden, al kun je dat ook nuanceren: met een opkomst van een procent of 53 hebben we dus een groep van 47 procent die niet meegedaan heeft. Die niet-stemmers vormen met elkaar verreweg de grootste groep. Ook hier wringen we ons in allerlei bochten om ze er toch bij te halen. Burgemeesters beloofden van een mast of een kerktoren ab te seilen als de opkomst hoger zou worden dan de vorige keer. Je zou ook kunnen zeggen: als het je niks kan schelen wie je land of je stad bestuurt, blijf dan toch lekker thuis. Wat hebben we aan een stemmer die tegen wil en dank zijn stembiljet invult? De kans dat dat een weloverwogen stem op een serieuze partij wordt lijkt me een stuk kleiner dan dat de ongeïnteresseerde thuisblijver kiest voor weer zo’n rare plaatselijke of misschien wel erg rechtse en/of populistische partij.
Tel uw zegeningen, zou ik zeggen, ook in kerk en concertzaal: Wees blij met de mensen die meedoen. Geniet van wat er is. En als het ooit, als wij er allemaal niet meer zijn, voorbij zal zijn, is er toch ook niemand meer die dat dan nog een probleem gaat vinden? Of ben ik nou te cynisch…
Kees Steketee