Toen op zondag 19 april dominee Arend van Essen ons gezang 419 liet zingen dacht ik, waarschijnlijk is deze kwieke wijs de eerste melodie die ik ooit heb gehoord. Ik heb het mijn moeder voor andere wiegelingen horen zingen en ze zal het zeker ook voor mij hebben gedaan.
De tekst van wiegelied luidt:
Suze naanje ik waige die
was doe wat groter dan sluig ik die
moar doe bist mie nog wat te klain
k zel die moar wat deur de vingers zain
Suze naanje doe.

Naanje is een oud Gronings woord voor wieg. Het wiegeliedje is ook heel oud. Doopsgezinden, uit onze streken afkomstig, die in de 17e en 18e eeuw vertrokken naar Danzig en via de Oekraïne in Rusland en nog later achter in Siberië terecht kwamen, kenden het versje nog, wat bleek toen een aantal van hen onze kerk bezochten en we uitzochten wat er bij ons beiden van onze ooit gezamenlijke taal was overgebleven.
Wij, twintigste-eeuwse wekelingen, ervaren de tekst wellicht als wat wreed en ruw. Maar ik denk dat het boerse humor is. Wij verzuchten bij een niet stil te krijgen kind ook wel eens, je zou het achter het behang plakken, wat ook niet uitgevoerd wordt.
Huub Oosterhuis heeft de tekst geschreven op de melodie die hij waarschijnlijk wel kende. De familie Oosterhuis stamt namelijk uit Uithuizen en Uithuizermeeden. Toen jaren geleden Oosterhuis een lezing gaf in Uithuizen, zijn Sieds Prins en ondergetekende hem gaan beluisteren. Hij vertelde toen uitgebreid over zijn Uithuister wortels.
Ik ben het met Arend van Essen eens dat Oosterhuis wel wat meer coupletten had mogen schrijven, want de melodie vraagt om meer.
Reint Wobbes