Fransum

Huizingers aan de wandel, ze lopen, kuieren, ontdekken oude kerkpaden en zien meer dan eens een kerk

van binnen. Hierboven bewandelden zij het kerkje van Fransum binnen. Over deze kerk zingen een tweetal gedichten rond. Afwassers van de kerkelijke Huizinger vaat zullen het bekende ‘Kerkje van Fransum’, van Cornelis Onno Jellema (1936-2003) herkennen dat naast ons keukentje is te lezen. In het Liedboek van Aarde van Herman Verbeek is eveneens een lied en een cursiefje opgenomen:

1. Het weidepad voert hoog
tot op de wijde wierde,
waar stilte wordt bewaard,
die hier het land bestierde.

2. Het huis is leeg en vrij
Voor glasgebroken kleuren
die keren met de dag
langs muren en langs deuren

3. De grafsteen draagt mijn last
een hand heeft brood gebroken
wij zwijgen het geluk
de kaars wordt aangestoken.

4. De klok luidt vespertijd
begint het ogen bidden
van zien zonsondergang
in stiltes stilte binnen.

5. Het weidepad voert traag
het beekdal door op huis aan
genade zij geschiedt
dat stilte gaat, want wij gaan.

Fransum ligt op het Hogeland van Groningen, in het stroomdal van het Reitdiep. Op de wierde staan alleen het dertiende-eeuwse kerkje en een boerderij. Een karrenpad voert erheen en vandaan, het oude karrepad. Wie het pad, met weiden aan weerszijden, gaat, gaat door het paradijs. Elk jaargetijde is er de begaanbare stilte. De stemmen, van een tochtige koe, een aanslaande hond, een roepende kievit, worden gedragen en begraven door de stilte. Dit is het paradijs van de weiden, van het licht de wind en de regen. Op de grote grafsteen bij de deur van het kerkje zittend, wil de peinzer hier wel voor altijd blijven, met koffie en brood. Het gesprek van onderweg is verstild tot kauwen en schouwen. Het religieuze van dit vesperuur is de woordeloosheid hiervan.

(Bron: Liedboek van Aarde, Herman Verbeek)

Hinrick Klugkist