Kerstverhaal, uitgezocht door Roely van Leeuwen

Kerst 2020. Het is koud in de loods van de voedselbank. Neonlampen verlichten rijen tafels me dozen erop. Zes jongens vullen de dozen. Ze kijken op lijsten aan de muur wat erin moet. Hoe groter het gezin dat ervan eten moet, hoe meer er in de doos gaat.

Musa blaast witte ademwolkjes uit. Hij pakt vier blikken erwtensoep en loopt ermee naar de dozen links, voor de kaaskoppen. De dozen rechts krijgen geen erwtensoep, want daar zit varkensvlees in. Die krijgen kippensoep. In sommige dozen gaan pakken luiers en melkpoeder. Potten appelmoes mogen in alle dozen. Doosjes met mondkapjes ook. En rollen biscuit. Pakken kerstkransjes. Netjes uien. Broden. Flessen olijfolie. Zakken rijst. Pakken meel.

Musa kijkt naar de datum op de pakken. Mooi, die kunnen nog een maand mee! Daar zal zijn moeder blij mee zijn. Hij is ook blij met zichzelf, want hij verdient vandaag weer een volle doos!

Er komt een vrachtwagen aan. ‘Stop!’ roept een man met grijze krullen rond zijn kale kruin, terwijl hij zijn hand opsteekt. Het is Jaap, met wie Musa sinds kort dozen naar mensen brengt die zelf niet naar de voedselbank kunnen komen. Zoals de Syrische Youssef, in een caravan op het achtererf van een boerderij die al best goed Nederlands spreekt. Zijn vrouw kan elk moment een baby krijgen, zag Musa. Musa kan het goed vinden met Jaap, al vindt hij hem stokoud.

De chauffeur van de vrachtwagen springt uit zijn cabine en zwaait de deuren van de laadbak open. ‘Vier jongens om ut te laden,’ roept Jaap: ‘Musa, Sjakie, Mo en Ronnie’. Voorzichtig, mannen, het is spul van de Lidl dat nog net niet over de datum is. De jongen rijden pallets vol kratten naar binnen.\

Jaap sorteert: hier sinaasappels, daar bananen en appels, dan de sla, komkommer, winterpeen, tomaten… Alles wordt verdeeld over de dozen. ‘Hé Jaap, er zijn niet genoeg pompoenen voor alle dozen, ‘ roept Musa. ‘Doe er dan maar broccoli bij,’ roept Jaap terug, ‘boerenkool of paksoi.’

Als alle dozen zijn gevuld, gaan de deuren open. Buiten staan al veel klanten, trappelend van de kou. Ze mogen om beurten met vijf tegelijk naar binnen.

Nora en Esma, twee vrijwilligsters met mondkapjes om, controleren hun voedselbankpasjes en noteren wat ze meenemen.

Musa laadt met Jaap vierentwintig dozen in Jaap z’n bestelbus. Jaap start de auto, zet de verwarming aan en geeft gas. Eerst rijden ze langs adressen in de stad. Naar mensen die twee- of driehoog wonen, of zeshoog in een flat. Evenveel kaaskoppen als mensen van buiten Nederland. Bij de familie Halak ziet Musa geen naam op de deur; zouden ze er nog wonen? ‘Marhabaan, huna taeam lak!’ roept hij naar boven. Op vierhoog verschijnt een gesluierde vrouw voor het raam. In het trappenhuis klinkt gestommel. Musa zet de doos voor de deur en doet een paar stappen achteruit. Krakend gaat de deur open. Een oude man in djellaba legt zijn rechterhand op zijn hart en zegt: ‘Baraaka Allahu fiek!’

‘Shukraan eami’, antwoordt Musa. Hij lacht verlegen, zwaait en loopt terug naar de auto.

‘Wat zeiden jullie nou?’ vraagt Jaap. ‘Ik zei dat het eten klaarstond en hij zei: Moge God je zegenen. Toen zei ik Dank u wel, oom. Gewoon zoals het hoort.

‘Vorige week ook al. Wat goed dat jij Arabisch spreekt’.

‘Bij die familie van vorige week was het Tamazight.’’Sjonge, dus jij spreekt drie talen!’

‘Nou ja, een beetje…’ Musa krijgt het er warm van. Hij is niet gewend aan complimenten.

Ze rijden de stad uit. Mooi, die stille witte weilanden en berijpte bomen. ‘Staat de doos voor jullie wel achterin?’ vraagt Jaap. ‘Yep,’ zegt Musa, ‘natuurlijk!’

‘Jullie hebben best veel nodig, hè,’ zegt Jaap, ‘met zo’n grote familie.’

‘Ja…..’ aarzelt Musa. Hij slikt, zucht diep en staart voor zich uit. Zijn familie is niet zo groot meer.

Opeens zegt hij: ‘Mijn vader is dood. En mijn opa en oma ook.’

‘Jongen toch!’ zegt Jaap geschrokken. Hij remt en zet de auto stil langs de kant van de weg.

‘Je mag wel doorrijden, hoor’, zegt Musa. ‘D’r is toch niks meer aan te doen’.

‘Nee’, zegt Jaap. ‘Vertel, wat is er gebeurd?’

‘Mijn vader ging dood. In april. Hij heeft nog lang op de intensive care gelegen. Mijn opa en oma gingen in maart al.’

‘Maar, hoe kan dat?’

Ze waren eind februari naar Mekka geweest, voor de Umrah*. Ze moesten eerder terug vanwege dat virus. Er ging nog net één vliegtuig. Ze waren heel blij dat ze gezond terug waren. Daarom gaven ze een groot feest voor de hele familie. Ergens half maart. Een paar dagen later werd de halve familie ziek. Negen moesten naar het ziekenhuis. Een week later waren mijn oma en opa dood. Mijn vader zou het wel overleven, dachten we. Niet dus…’ Musa zucht.

‘Jongen toch,’ zegt Jaap weer. Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen!’

‘Ik ook niet, ‘zegt Musa toonloos. ‘Ga maar weer rijden. Het wordt koud hier. ‘

Jaap start weer. Even s alleen het geluid van de ronkende motor te horen.

Dan vraagt Jaap: ‘En toen kwam jij bij de voedselbank werken?’

‘Ja, want de school ging dicht en we verveelden ons. Binnen werd ik gek van het gehuil en buiten mochten we niet chillen. We zouden een soort diploma krijgen als we hier gingen werken. En we kregen elke zaterdag zo’n doos met eten mee.’

Jaap knikt. ‘Een certificaat. En toen je weer naar school mocht, ben je gebleven.’

‘Ja’, zegt Musa, ‘op zaterdag.’ Het is leuker dan school. Ik wou naar de havo, net als mijn zus, maar ik kreeg een vmbo-kader advies. Omdat ik achter was geraakt, zei de meester.’

‘Dat haal je wel weer in. Ik kan je helpen met huiswerk’. Musa kijkt verrast op. ‘Echt waar? Heb je daar tijd voor dan?

‘Tijd zat, want ik heb geen werk meer. ‘

‘Ontslagen?’

‘Failliet gegaan. M’n bedrijf is naar de gallemiezen.

‘Restaurant zeker.’

‘Nee, reisbureau. Ik verkocht stedentrips per vliegtuig. Het liep als een tierelier. Maar vanaf maart bleven alle vliegtuigen aan de grond en geboekte reizen werden geannuleerd.’

‘Rot voor je.’

‘Achteraf valt het mee. Want doordat er geen vliegtuigen vlogen en er minder auto’s reden, werd de lucht schoner. Daardoor had ik minder last van mijn astma. Toen was het net alsof ik wakker werd.

Ik ben niet goed wijs geweest, dacht ik, om die vieze vliegtuigen te laten ronken. Ik ga voortaan werken voor mensen die niet kunnen rondkomen. En daarom ben ik hier.’

Musa weet niets te zeggen. Hij vindt het best tof van Jaap, maar zonder vliegtuig wordt het moeilijk om zijn andere opa en oma in Marokko op te zoeken.

Jaap rijdt het bevroren pad naar het achtererf van de boerderij op, voorzichtig, om niet te slippen. Het licht in de caravan brandt en de schoorsteen rook. Buiten aan de waslijn hangen babykleertjes.

Musa stapt uit, zet de doos voor de deur van de caravan en klopt aan. Youssef doet blij de deur open, pakt de doos en roept: ‘Heel erg bedankt! Kom kijken bij de raam!’.

Musa loopt naar het raam. Daarachter staan Youssef en zijn vrouw. Zij heeft lang donker haar en draagt een pasgeboren baby in haar armen.

Jaap komt ook kijken. ‘Alles goed?’ roept hij. Youssef steekt zijn duim op.

‘Jongen of meisje?’ roept Musa.

‘Jongen,’ hoort hij, ‘Isa. Kerstkindje.’

Jaap knikt grinnikend en wijst naar Youssefs vrouw. ‘Dan heet hij zeker Maria?’

Ze knipoogt naar Youssef en roept: ‘Ja, Maryam!’

Musa rent naar de bestelbus en haalt uit de doos voor zijn eigen familie een pak appelsap en een zak kerstkransjes. ‘Hier, om het geboortefeest te vieren!’

‘Kijk,’ lacht Jaap, ‘wij zijn de Wijzen uit het Oosten die jullie geschenken komen brengen!’

‘Nee, man,’ roept Musa, ‘de Wijzen uit het Westen!’

*) De Umrah is de lichte versie van de Hadj, de bedevaart naar Mekka: Als moslim kun je die doen wanneer je wilt en niet alle rituelen van de Hadj zijn verplicht.

Dit verhaal is geschreven door Lieke van Duin uit: Open Deur.