Angst in de Paardestal

Angst in de Paardestal

‘Lied zonder angst’, schalt er liederlijk door een Kaandorp of stad. Maar wat is dat eigenlijk, angst? Is het hetzelfde als vrees of -vreest niet- is dat het juist niet? Is angst een slechte raadgever? Is angst te ontvrezen -zoals Marten Luther zegt- door ‘dijken van moed op te werpen tegen de stormvloeden van angst?’ Waar komt die angst toch vandaan? Natuurlijk uit het Latijn van Angustia, een engte, smalte en het Griekse Ango doet je de keel toesnoeren.

In ‘onze’ Paardestal neemt Andries Visser ons mee naar de diepe krochten van angst, die voor mij -eenvoudige ziel- grenst aan een diepte die geen houvast geeft. Het is als het zwemmen door een geul naar een boot, die blijkt niet de Huizingervloot te zijn, je dreigt de boot te missen. De diepte in, veilig pootje baden is er niet bij vandaag. Je wordt meteen de diepte ingezogen, zonder kurkje. Angst voor de badmeester vroeger, hij op klompen veilig op het droge en ik spartelen aan een hengel, waardoor ik klimmen heb geleerd, zo bij die hengel omhoog. Moeders geneerde zich, maar een vader van een vriendje zei mij graag naar zwemles te brengen, voor hem een goede training van de lachspieren. Of een ander voorbeeld, kent u dat, die angst tijdens het verstoppertje spelen: dat je niet gevonden werd…

Angst, de diepte in vandaag in een inleidend schrijven van Andries: ‘Het begrip Angst. Een opmaat’ en wij Huizingers en andere aanschuivers mogen dit prille, verse hoofdstuk van Kierkegaard lezen, leren, dóórleven. Angst, de harteklop van de onmacht, die verlengde schaduw van onwetendheid hangt in de Paardestal boven onze hoofden als een zwaard van Damocles. Het gaat onze pet te boven, doch angst maakt alert, zo doceert Andries vriendelijk.

Visser noemt vlotjes de vijf v’s: vechten, vluchten, vermijden, verstarren en versagen, verschijningen van vervolgtrekkingen volgen voorbij. Verdringen kun je ze in een grond van emoties, maar alles wat je in de grond ploegt, komt ooit weer aan de oppervlakte. Kierkegaard spreekt over angst als een sympathetische antipathie en een antipathetische sympathie, een synthese van tegenstrijdigheden. Andries geeft er een beeldend voorbeeld bij: het begrip hoogtevrees: vrees je jezelf, de hoogte, of juist de diepte? Angst voor de val, of juist bang voor de flirt van het springen, de roep van de echo, waar je naar kijkt als dat je bevalt… Of klampt u zich vast aan regels die nakomelingen zijn van angst? Op het koord tussen eindigheid en oneindigheid, tijdelijkheid en eeuwigheid, noodzakelijkheid en vrijheid balanceert het begrip ‘Angst’ dat zomaar uit evenwicht, zich in de diepte van onzekerheid stort, in het gapende gat van de angst voor ‘Niets’, in de betekenis van  het onvermoede, het raadselachtige, dat ‘Niets’ wordt tot hoop bezongen in Gezang 446: ‘Als eens mijn eigen adem stokt, dan draagt mij uw muziek’.

Leven zonder angst is een ‘niets’, zonder hoofdletter geschreven. In Kierkegaards boek De ziekte tot de dood, beschrijft hij:

“Zelfs wat menselijk gesproken het mooiste en meest beminnenswaardige van alles is, vrouwelijke jeugdigheid, vol vrede en harmonie en vreugde: het is toch vertwijfeling. Het is namelijk geluk, maar geluk is geen bepaling van geest, en diep, diep van binnen, binnen in de binnenste en meest verborgen schuilplaats van het geluk woont ook de angst, en die is de vertwijfeling. Ze wil heel graag toestemming krijgen om daarbinnen te blijven, want dat is voor de vertwijfeling de liefste, de meest gezochte plaats om te wonen: van binnen, in het binnenste van het geluk.”

Een leven zonder angst, leidt zonder twijfel een incompleet, oppervlakkig bestaan. Maar toch blijft het een prachtig lied. Ik klik op YouTube, mevrouw Kaandorp zet een keel op en Brigitte’s stem zingt over een salto zonder net, horloge zonder later, liefde zonder eind, vissen zonder vangst, dood zonder te sterven: een leven zonder angst!

 

Hinrick Klugkist